Het wachten is op Verdonk 2.1
U wilt een Volkswagen Golf 2.0 kopen en vraagt naar de betekenis van die cijfers. De autoverkoper vertelt u dat dat te maken heeft met het aantal fouten dat er ongetwijfeld nog in het huidige model zit. Volkswagen weet niet precies welke, en brengt deze versie (release) op de markt om er via klanten achter […]
U wilt een Volkswagen Golf 2.0 kopen en vraagt naar de betekenis van die cijfers. De autoverkoper vertelt u dat dat te maken heeft met het aantal fouten dat er ongetwijfeld nog in het huidige model zit. Volkswagen weet niet precies welke, en brengt deze versie (release) op de markt om er via klanten achter te komen wat er te verbeteren valt. Over een tijdje komt er een 2.1. Op langere termijn zal zelfs een Golf 3.0 in de verkoop komen en hij wijst op de mooie plaatjes van een concept car in een glimmende folder. Koopt u hem nog? Of gaat u naar een ander die meer zekerheid biedt?
Waarschijnlijk het laatste, en toch is dit de manier van werken van de software-industrie. Men heeft het fabricageproces van software zo slecht onder de knie dat men over de rug van de betalende gebruiker telkens opnieuw dure versies uitbrengt. Vaak wordt de oudere release al snel na verschijning niet meer ondersteund. Alsof je met je oude Golf door de garage geweigerd wordt.
Positiever ingestelde mensen zullen zeggen dat het juist eerlijk is om geen valse verwachtingen te wekken en dat het democratisch is om iedere gebruiker bij de ontwikkeling te betrekken. Bovendien hoor je er natuurlijk niet echt bij, als je de laatste release niet hebt.
In deze optimistische sfeer heeft de mediaondernemer Tim O’Reilly enkele jaren geleden, als reactie op het barsten van de dot.com bubble, Web 2.0 gelanceerd en er enorme navolging (en handel) mee gekregen (70 miljoen hits op Google). Waarom sloeg het zo aan? Omdat er natuurlijk wel wat van waar was dat internet in een andere fase was terechtgekomen.
In de eerste fase was internet vooral gericht op het verbeteren van het aanbod van informatie. Sites waren vooral gedigitaliseerde foldermolens en beperkten zich qua communicatie tot de mogelijkheid een mailtje te sturen. Gaandeweg werd dat aanbod natuurlijk steeds beter, sneller en betrouwbaarder (je kon zelfs veilig betalen). Men ging ook vraaggerichter werken: Amazon.com werd groot omdat ze profielen opbouwden van hun bezoekers en klanten, waarmee ze hun een passender aanbod konden doen.
In eerste instantie was die profielinformatie zelfs van jou. Later heeft Amazon zich die toegeëigend, omdat het steeds duidelijker werd dat klantinformatie te belangrijk, te waardevol werd om aan klanten over te laten.
Het bedrijfsmodel van Google is er vanaf het begin op gericht geweest (zoek-)profielinformatie te exploiteren. Ook andere opgeblazen starters maken vroeg of laat die omslag: Facebook (een soort Hyves) heeft tegen eerder gewekte verwachtingen in aangekondigd de informatie van haar gebruikers te willen gebruiken voor advertenties.
Anders gezegd: de markt kreeg steeds meer belangstelling voor de vrager en die omslag, van aanbodgerichtheid naar vraaggerichtheid, markeert de overgang naar Web 2.0. Daarmee wordt dus bedoeld dat de gebruiker, de burger meer zelf aan het roer komt en met zijn informatie de klantprocessen kan gaan sturen.
Omdat daar het geld zat, en men zich natuurlijk liet inspireren door Google, zijn er de afgelopen jaren honderden, zoniet duizenden softwaretoepassingen ontwikkeld die gemeen hebben dat ze de vraagsturing proberen te faciliteren. De gebruiker aan de knoppen! Tot zover de markt.
Het lag natuurlijk voor de hand dat iemand de handschoen zou oppakken voor de politiek en/of de overheid. Ook government 2.0 is inmiddels een populair begrip (10 miljoen Google hits), waarmee overheden willen aangeven dat ze het nieuwste van het nieuwste inzetten voor hun (digitale) dienstverlening. Toch zijn er nog weinig voorbeelden te vinden die de omslag van vraaggericht naar vraagestuurd ondersteunen. Het is voor de overheid kennelijk lastiger om op basis van profielinformatie (user-generated content) processen te laten bijsturen, laat staan aansturen. Hoe dat te verklaren is, valt buiten dit artikel.
Wij willen door naar de site van Rita Verdonks beweging, politiek 2.0 (350.000 hits; in haar Engelse variant 7 miljoen hits), en de vraag wat dat is of zou kunnen zijn. Trots op Nederland (TON) lijkt in illustere voetsporen te treden: in 2007 lanceerde Tony Blair een e-petitie over rekeningrijden. De site crashte, omdat te veel mensen als tegenstander genoteerd wilden worden en Tony Blair aan 1,5 miljoen mensen moest uitleggen waarom het toch door moest gaan. Kinderziekten, want inmiddels lijkt het in Engeland een erkend democratisch instrument geworden.
Zo zal het ook kunnen gaan met de Wiki’s die door TON zijn ingezet om te horen wat iedereen zoal denkt van bepaalde problemen en oplossingen. Het is echter de vraag of Verdonks adem lang genoeg en haar portemonnee groot genoeg zullen zijn om er wat van te maken. Want zoals altijd blijkt dat informatietechnologie niet automatisch werkt. Je hebt een organisatie en mensen nodig die een juist gebruik garanderen. TON heeft ervan geleerd dat je met moderatoren moet gaan werken om allerlei vuiligheid te weren. Dat vergt onder meer een redactiestatuut om uit te kunnen leggen waarom iets wel is toegelaten en iets anders niet. Bovendien zullen mensen ook iets terug willen horen: als je de moeite neemt om je er persoonlijk tegenaan te bemoeien, dan heb je niet genoeg aan een algemene beschouwing in de Tweede Kamer. Als de verwachting is gewekt dat je iets te vertellen hebt, dan word je nog kritischer dan wanneer je die kans niet eens hebt gehad.
Pas als de ‘beweging’ een vertrouwensgemeenschap (een community, ook zo’n Web 2.0 woord) is geworden met herkenbare (geauthenticiteerde) deelnemers, mag je enig resultaat verwachten. Maar wat dat allemaal voor organisatie met zich meebrengt, verhoudt zich vast niet tot wat Verdonk voor ogen staat bij een ‘beweging’. Eigenlijk is het dan een gewone politieke partij, met vertrouwen en verantwoording. Wat is dan nog het verschil?
Wikipedia is ook meer een organisatorisch succes dan een technisch wonder. Wat is dan wel de oplossing? Wat zou politiek 2.0 kunnen zijn? Als de omslag echt gemaakt moet worden van een aanbodgestuurde en, op z’n best, vraaggerichte politiek en overheid naar vraagsturing door de burger, dan moet je beginnen bij die burger. Die moet de middelen hebben om iets van digitale diensten en interactieve beleidsontwikkeling en regelgeving te maken. En de sleutel daarvoor ligt in een oplossing voor zijn digitale identiteit. Naarmate hij herkend kan worden en op zijn verantwoordelijkheid kan worden aangesproken kan het wat worden.
Anonimiteit wordt wel eens vereenzelvigd met vrijheid van meningsuiting, maar het tegendeel is het geval: het is de dood in de potten van dienstverlening en democratie. Dit is te zien in het vooralsnog gebrekkige gebruik van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens en van DigiD.